|
|
|||||||||||||||||
(From Jazz Nu, December 1980, p. 133-136) - Netherlands Disco: Albert Ayler Han Schulte
De fasen in Albert Ayler’s muzikale carrière De hoofdfasen in Albert Ayler’s muzikale ontwikkeling bestaan uit de volgende zeven episodes: Enkele kanttekeningen: B. Ayler werd verweten dat zijn composities te simpel waren: flarden van oude volksliedjes, kinderliedjes, marsjes e.d. Veelal gebaseerd op eenvoudige drieklanken. Het teruggrijpen naar oude muziek elementen is niet iets waar Ayler het alleenrecht op had. Het bijgaande staatje geeft een duidelijk inzicht op dit punt: |
|
|
|||||||||||||
![]() |
Don Ayler, Albert Ayler, Michel Samson (foto B. van Grevenbroek) |
|
|
|||||||||||||
Met name deze vrijheid in sound, die ik de schreeuw van Albert Ayler noemde, heeft een nieuwe dimensie aan de jazz toegevoegd, alhoewel Ayler zelf liever niet van jazz sprak maar van ‘spiritual music’. Zijn technische vaardigheid was bovendien uitzonderlijk groot. Archie Shepp (in een interview met Robert Levin): ‘...I remember hearing this huge noise in the room that turned everybody around. It was Albert.’(...) ‘Albert sounded so fresh to me. I thought to myself when I heard him that I wasn’t using even half of my technical ability.’ Als componist en als uitvoerder is Albert Ayler tijdens zijn leven grotelijks miskend, vooral in Amerika. Het alsnog verlenen van deze erkenning kan echter niet betekenen dat hij automatisch tot genie wordt bestempeld.
Complete discografie van Albert Ayler ‘Never try to figure out what happens because you would never get the true message.’ (Ayler in linernotes van Impulse 9165 LP Love Cry.) N.B. Volgens het boek International Bibliography of Discographies (David Edwin Cooper / 1975) zijn Ayler disco’s opgenomen in: |
|
|
||||||||||||
I’ll remember April: Na een stuntelig neergezette basismelodie - en enkele uitroepen uit het publiek waar Ayler muzikaal op inhaakt - gaat Ayler over tot redelijk vrij spel met enkele uitstekende lage honknoten. Het publiek blijft roerig. Ayler keert tijdens het improviseren (5 à 6x) terug naar de basismelodie. Ayler’s improvisatie is onevenwichtig en Ornette Colemanachtig. De begeleiding is niet adequaat, maar stoort ook niet. Rollins’ Tune: Startend met een Rollins-toon nabootsing verschuift Ayler langzaam naar een avantgardistischer terrein. Ayler speelt (waarschijnlijk) enkele maten piano. Tune up: Veel vrijer als de eerste twee stukken met een interessant tenor-drum duet. Ayler’s toonvorming is hier ‘volwassener’. Free: Ook hier een volwassen sound plus vrije soli van Ayler. Drums en bas spelen conventioneel.
Opmerkingen: De ritmegroep - een bopduo - werkte april 1962 ook mee aan een concert met Bud Powell in Stockholm (uitgebracht op Steeplechase: At the Golden Circle Vol I II - III). Deel 1 van deze Zweedse limited-editor lp is opnieuw in Amerika uitgebracht op het GNP label (Gene Norman Presents), maar beperkt in ons land verkrijgbaar. Deel 2 heb ik niet kunnen vinden. Rollins’ tune moet Sonnymoon for two zijn. In dit stuk is een piano hoorbaar. Quote: Ekkehard Jost over Ayler’s eerste Scandinavische lps (bron 19 / p. 122): ‘Separating Ayler’s part in these recordings from the total context (which is not easy), we can observe the beginnings of what later crystallized into several features of his personal style. His approach to intonation, the distorted paraphrases of melodic lines, and above all his highly individual vibrato-laden sound are first formed in these (1962/1963) Scandinavian recordings.’ Samenvatting: Een onevenwichtig album met meer bop-trekken dan free-elementen. Juist het stuk Free is het meest geslaagde en meest vrije stuk. _____________________ CECIL TAYLOR QUINTET |
|
|
||||||||||||
Introduction: ontbreekt op de America-versie. Bye, bye, blackbird: Evenals Coltrane op sopraansax My favorite things stevig aanpakte, geeft Ayler een nieuwe wending aan - op sopraansax - het aloude Bye, bye, blackbird. Billie’s Bounce: Start met een traditionele tenor-opening; terwijl de ritmegroep even conventioneel doorploegt probeert Ayler een moderne wending aan dit stuk te geven. Summertime: Direkt bij het neerzetten van het thema demonstreert Ayler zijn unieke toonzetting. Thematisch wordt hij weer geremd door het in stijlopvatting achterblijvende Deense trio, maar hij voegt wezenlijk een nieuw element toe aan dit stuk en de jazz in het algemeen. On Green Dolphin Street: Ayler ontwikkelt hier duidelijk zijn eigen lijnen en laat het thema geheel los. Drummer Gardiner probeert vrij te spelen. C.T.: Ayler’s tweede aan de plaat toevertrouwde compositie, genoemd naar Cecil Taylor. Dit is een volledig vrije compositie zonder vast metrum en zonder akkoordenschema, waar Ayler wel raad mee weet, Gardiner een beetje en NielsHenning absoluut niet. Bronsted speelt in dit stuk niet mee.
Opmerking: Deze opnames waren oorspronkelijk voor het Deense (14-daagse) radioprogramma ‘Jazz 63’ bestemd. In feite zou Ayler met het trio van Cecil Taylor optreden, maar dat was reeds vertrokken. Gardiner is een Amerikaanse drummer die in Scandinavië verbleef. Pianist Bronsted had met Ayler in Montmartre gespeeld. N.H.O. Pederson was toen 16 jaar oud en kende Ayler niet tot op het moment van deze sessie. (Zoals de sidemen op Ayler’s eerste lp in april 1962 met Bud Powell in Stockholm speelden, zo speelde Ayler’s bassist hier in april ‘62 - op toen 15-jarige leeftijd - met Powell in Kopenhagen!) Ayler’s vertolking van Summertime inspireerde Hans Joachim Hespos tot het gedicht ‘Anregung für einen pianisten - Z...... ( )’ (Bron 29). Quote: Ekkhard Jost (bron 19/ p. 122) over o.a. Billie’s Bounce: ‘The main reason these stock phrases sound odd is that they are not integrated into the larger structure of Ayler’s solos, but are inserted into his improvisations like quotations from another context. In Billie’s Bounce, for example, each 12-bar chorus begins with melodic (or ‘extudesque’) figures... These then abruptly change to fragmentary flourishes, which are placed against the harmonic foundation.’ Samenvatting: Alleen het laatste stuk C.T. is vrij, de andere stukken zijn wederom een botsing tussen een conventionele ritmegroep die exact de (bop)melodie speelt en AyIer die alleen in ruwe vorm aan de melodie refereert. _____________________ ALBERT AYLER / CECIL TAYLOR QUARTET Opmerkingen: Van deze radioband wordt melding gemaakt op verschillende plaatsen, o.a. op de hoes van de Artists House lp Soapsuds van Ornette Coleman. De samenwerking met Cecil Taylor op Nieuwjaarsavond leidde wat Albert Ayler betreft tot een verdere doorbraak naar nieuwe concepten. Op het eveneens van januari 1963 daterende album My name is Albert Ayler droeg hij het stuk C. T. op aan Cecil Taylor. |
|
|
||||||||||||
Witches and Devils: veel sterker dan in C.T. ontwikkelt Ayler zijn eigen ideeën: langgerekte meeslepende en tegelijk bezwerende notenclusters. Vibrato en toonvorming van Ayler lijken uit de primitieve begintijd van de jazz te stammen. De 2 bassisten leveren gezamenlijk geen opvallende bijdrage, behalve een pizzicato en gestreken duet. Spirits: minder statig als Witches and Devils, fel en gedreven spel van Ayler en Norman Howard. Dit is overigens niet hetzelfde stuk als Spirits opgenomen op de eerstvolgende lp Spiritual Unity Holy Holy: dit stuk heet op andere lp’s The Wizard. Met een Rollins - achtige sound overheerst Ayler dit geheel vrije stuk. Saints: tegenover Ayler’s langzame, maar unieke spel plaatst Howard vrij onbeduidende kanttekeningen.
Quote: Barry Tepperman in Coda / dec. 1976: ‘This was a ‘free’ ensemble in which, although collective improvisation was not yet a major concern, each instrument had an independent and simultaneous melodic role to perform.’ ‘Here is the tenorist’s conception at its purest - the reconstruction of melody through the elasticizing of parallel layers of fragments, a huge tone drawn from a relaxed embouchure (...) and a compositional optimism that was naive almost to the point of saccharine!’ ‘There is some confusion with the titling of Ayler’s compositons, in these and the Spiritual Unity-sessions. For unknown reasons, Ghosts’ first and second variations on both trio discs are different compositions - the first the same piece later known as Ghosts, the second identical with Spirits on both the (Spirits) / Witches and Devils and Prophecy albums.’ Opmerkingen: Alle stukken zijn geregistreerd als Ayler-composities. In een recente brief aan George Coppens stelt Norman Howard de auteur van Witches and Devils te zijn. Samenvatting: de eerste volwassen lp van Albert Ayler met ‘n volledig eigen gezicht, zowel qua sound als composities. _____________________ ALBERT AYLER QUARTET Opmerking: Dat deze session ooit nog uitgebracht wordt is te hopen, maar niet te verwachten. Bij zijn terugkeer in Cleveland - na zijn eerste Europese toernee - stuitte Ayler op een muur van onbegrip toen hij Lloyd Pearson’s groep enkele avonden leidde en ook daar zijn interpretatie van bekende spirituals speelde. Het vrij improviseren in avantgarde opvatting op spiritual thema’s was ‘not done’. Ayler heeft hier m.i. zijn consequentie uit getrokken en leefde zijn religieus-muzikale gedachten uit in eigen spirituals in casu de stukken: Holy Holy, Saints, etc. Quote: (Valerie Wilmer: As serious as your life, p. 105) ‘Later that year, Albert Ayler played the tapes to Bernard Stollman ... (who) ... was upset to hear spirituals played in that way, just as Lloyd Pearson had been. Ayler’s reaction was to smile gently. “In retrospect,” said Stollman, “I imagine that he realised that one day I might understand it.”’ Opmerking: Debut zou dit materiaal, dat tegelijk met de Spirits-session is opgenomen, pas veel later gekregen hebben. _____________________ ORNETTE COLEMAN - ALBERT AYLER Bron: V. Wilmer As serious as your life, p. 104. |
|
|
|||||||||||||
Spirits: Met ongewone felheid spuugt Ayler het Spirits-thema en zijn improvisaties er uit. Peacock sluipt om hem heen met geraffineerde soli. Murray speelt zo vrij als denkbaar is. Wizard: In dit stuk gaat Ayler soms over op het toonladder-fietsen, zonder echter de essentie los te laten. De rauwe dubbeltonen in het lage register verwijzen naar zijn R&B- (jeugd) periode. Ghosts, first variation: Michael Cuscuna: ‘Ghosts is the actual album of the black music of the sixties.’ Helder en doorschijnend zet Ayler zijn bekendste compositie neer met een huilende Peacock op bas. De basis voor Ghosts werd eerder gelegd in het stuk Holy Holy. Het motiefje moet ontleend zijn aan een kerklied. Prophecy: Dit titelstuk bevat een uitgesproken simpel melodisch thema. Het is een vrije, muzikale gedachte die steeds opborrelt. Murray is zo vrij als een vis in het omspelen van het metrum. Ghosts, second variation: Dit is een veel vrijere variatie op het basisthema.
Opmerkingen: Dit is een liveopname uit het Cellar-Café. Over het verschijnsel koffiehuisconcerten e.d. schreef LeRoi Jones in Downbeat 9.5.1963 onder de titel ‘Loft Jazz’. Alle stukken werden geschreven door Ayler. Zoals M. Schouten constateerde (bron 27 / pag. 139 e.v.): ‘In Ghosts wordt ook Sarie Marijs geciteerd.’ Ayler zou van Cecil Taylor het advies gekregen hebben deze opname niet te maken voor ESP wegens te slechte betaling. In totaal duren de stukken ± 40 minuten (goed voor amper één set). Stollman beschikt over het resterende materiaal van deze sessie. Volgens Martin Davidson zou “The Wizard” “Children” zijn. Valerie Wilmer (bron 13 / p. 105) stelt echter: ‘In 1964 the writer Paul Haines taped Ayler’s performances at the series of concerts, known as the October Revolution in jazz. ESP-disk issued some of this material as Prophecy (ESP 3030) in 1976, but enough material for a second album is said to exist.’ Quote: Ekkehard Jost (bron 19 / p. 125): ‘His (Ayler’s) method is to paraphrase whole themes by “quoting” them note for note, distorting them by shifting or transposing the individual pitches, so that the original can be recognised only from the general outline. An especially striking example of this method is the version of Ghosts...’ |
|
|
||||||||||||
Ghosts, first variation: Met een Rollins-achtige toonvorming zet Ayler dit deel in, gevolgd door een korte improvisatie in het hoge register. Gary Peacock speelt een voortreffelijke bassolo, ontspannen en toch met spanning. Op Rollins-achtíge wijze (St. Thomas!) herhaalt Ayler het thema, waarna een zacht en abrupt einde volgt. The Wizard: Een rafelige opening zonder al te duidelijk neerzetten van het thema, gevolgd door improvisatie en veel later (alsnog) het thema: groots en meeslepend. Spirits: Op ESP 1002B is Spirits eigenlijk Vibrations (volgens Martin Davidson). Op ESPM 1002B zou Spirits eigenlijk Saints zijn (idem). Na een enigszins melodramatische start met de van Ayler bekende uitgerekte melodievorm volgt een volledig vrije bassolo van Peacock in slow-tempo die alles behalve sloom is, en ondersteund wordt door een hier-en-daar drummende Murray. Ghosts, second variation: Het thema, dat staat als een huis, wordt door Ayler op alle denkbare manieren improviserend geëxploreerd. Het eindigt thematisch met een repeterend effect waardoor een soort licht verende oneindigheids-deining wordt verkregen.
Opmerkingen: De in 1964 opgenomen Ayler originals worden door Ekkehard Jost in drie groepen ingedeeld, die qua thematisch materiaal sterk verschillen: Quotes: Jack Cooke in Modern Jazz (bron 23/p. 118): ‘Yet although the above trio disc still affords glimpses of such influences (Lester + Rollins), it provides an unsurpassed opportunity to study Ayler’s instrumental methods, facing us with much radically original thinking. His articulation is blurred, seemingly imprecise, yet nevertheless demands remarkable speed of execution and an impressive command of the upper register. More than this, he created a whole new soundworld on his instrument, taking the post-Charlie Parker generation’s vocalisation of timbre to unprecedented lengths.’ Samenvatting: Door gebrek aan interactie met een 2e blazer mist dit album iets. De composities worden echter uitstekend improviserend uitgewerkt, terwijl ook Ayler’s techniek volwassen is. |
|
|
||||||||||||
|
|
||||||||||||||||||
Ghosts: Een uitbundig exposé van dit Frans-spirituele volkslied, dat Ayler’s lijflied werd. Peacock soleert nog sterker dan Cherry middels een gestreken solo. Vibrations: Venijnig, vinnig spel van Albert en in iets mindere mate Don, wordt afgewisseld en onderstreept door ontspannen ‘geritsel’ en ‘getrappel’ van Murray. Peacock vervult een Slam Stewart-achtige functie door melodische wendingen van de blazers unisono gestreken te onderstrepen. Mothers: Een aarzelend klinkend klaaglied met prachtige thematische omspelingen en herhalingen van Ayler.
Quote: ‘De solisten zijn dus ‘vrij’, wat niet betekent dat ze er maar in het wilde weg op los kunnen spelen. De ‘vrijheid’ is voor hen een opgave die moet worden vervuld. Wanneer het thema is gespeeld, staan ze voor een leegte die ze niet kunnen vullen met routineloopjes over de changes. Ze stellen zichzelf de zware taak, louter met spontane ideeën boeiende muziek voort te brengen. Ze moeten, willen ze slagen, voortdurend geïnspireerd zijn. Vakkundig routinewerk (zoals we dat bijvoorbeeld tijdens het merendeel van de nachtconcerten te horen krijgen) is binnen deze manier van muziekmaken nauwelijks mogelijk; als de inspiratie wegvalt blijft er maar heel weinig over.’ (Bert Vuijsje in Jazzwereld november 1965, waarin deze lp als Plaat van de Maand werd besproken). Opmerking: Tot in het najaar van 1966 vond Ayler alleen deze Ghosts-(Vibrations) lp als plaatopname geslaagd. Samenvatting: Het nieuwe concept dat Ayler voor ogen stond begint hier concreet vorm te krijgen. ______________________ ALBERT AYLER QUARTET Opmerking: Behalve de studio-opnames voor Ghosts bestaat er een band van een in dezelfde maand opgenomen concert in het jazzcafé Montmartre in Kopenhagen. George Coppens beschikt over een kopie-band, waarop AyIer uitzonderlijk soleert in bekende en onbekende eigen composities. |
|
|
||||||||||||
Angels: Aylers klaagzang - en aanroeping der engelen - wordt unisono met Don Cherry geuit. Terwijl Albert en Don om beurten het thema exploreren, ondersteunt Peacock met totaal vrij basspel hun opwaartse bewegingen. Murray speelt losjes. C.A.C.: Een kort rafelig thema wordt speels neergezet in een opgewekte samenspraak tussen tenor en cornet. Ghosts: Dit stuk zou geschreven zijn toen Ayler een half jaar in de Newyorkse negerwijk Harlem woonde en wil de spanning weergeven die daar toen heerste. Het quasi huppelige, meelokkende thema symboliseert géén spanning en wordt zonder onnodig krachtvertoon neergezet. Daardoor niet de opwindendste vertolking van deze Ayler-original, wel een evenwichtige. De eveneens huppelige versnelling aan het slot vormt een klein, bevrijdend contrast. Infant happiness: Het direct-opde-man-af-thema wordt zowel door Albert als Don uitdagend gespeeld. Murray begeleidt en soleert a.h.w. tegelijk. Na een melancholieke tussen/herhalingsmelodie geeft Peacock een gecomprimeerde solo met speelse, afdalende loopjes. Spirits: In deze meer dan 9 minuten durende versie van dit spiritualachtige volkslied geeft Ayler een typische understatementsolo vol kleine, terloopse notenclusters. Nadat Albert overgaat naar een steviger volume en lage en hoge toonladders, komt Cherry met soortgelijke understatementachtige fraseringen, die weer door Peacock worden overgenomen. No Name: Een parafrase op Ayler-thema’s met Alberts huilende, smekende en jubelende tenor. Cherry speelt lange, zuivere noten op een romantische wijze in plaats van de gebruikelijke korte, prikkelende frasen. Murray schudt zijn medemusici door elkaar.
Quotes: Rein de Graaff (aanwezig bij het Sheherazade-concert van deze groep): ‘Ik stond aan de grond genageld. Deze muziek kon gewoon niet. Ik kon het niet plaatsen.’ Bert Vuijsje (V.N. 5.12.64): ‘Hij (Ayler) gebruikt een ongewoon sterk, langzaam vibrato dat paradoxaal genoeg doet denken aan de eerste pogingen die men zo’n veertig jaar geleden deed om jazz op een saxofoon te spelen. Helemaal van deze tijd zijn Aylers toon-experimenten, waarbij hij toch wel duidelijk door Coltrane en vooral Rollins beïnvloed is.’ De kans is groot, dat Coltrane meer door Albert Ayler beïnvloed werd dan Ayler door Trane. Opmerkingen: Dit is de 2e platensessie waarop Don Cherry meespeelt (eerder op New York Eye and Ear Control). Na de 3e sessie (Ghosts) trad Ayler’s broer Don aan als trompettist; hij bleef tot voor New Grass. Cherry is evenwel ook aanwezig op Sonny’s time now (1965). Het No Name -thema komt ook voor op de lp Bells (2e stuk) van mei 1965. Alle stukken zijn van Ayler, behalve Cherry’s Infant happiness. Deze studio-opnamen werden in oktober 1980 door George Coppens voor het eerst op de plaat uitgebracht. De opnamekwaliteit is uitstekend; let vooral op Peacocks zuivere basklanken. De muziek is tijdloos. Samenvatting: Een van Aylers beste, d.w.z. meest creatieve albums, waarbij de interactie tussen de vier groepsleden uitstekend is. |
|
|
||||||||||||
Holy Ghost: Een heerlijk stuk vrije muziek, vooral door Murray’s relativerende percussies en Freedman’s voortreffelijke cellospel. Daarbij fantastische collectieve improvisaties met een bevrijdend - maar niet ongestructureerd - karakter. Tevens blijkt dat Ayler met zijn muziek mijlenver uitstak boven andere avantgardisten als Shepp, wiens Hambone er ouderwets bij afsteekt.
Opmerkingen: Charles Tyler miste dit concert doordat zijn vliegtuig in Cleveland door mist niet kon opstijgen. Quotes: Het album New Wave in Jazz werd door 10 Downbeat-critici gerecenseerd in het 11e Db-Yearbook Music ‘66. Sommigen gaven 4 tot 5 sterren, anderen vonden het te (kunst)matig. Gilbert Erskine (twee sterren): ‘On Ghost Ayler shows us the labored journey he’s made to free himself from the bondage of meter, harmony, and even melody; but ... having forced the change, he’s made only a bizarre artifact - not art.’ Harvey Siders (eveneens slechts twee sterren en Ayler-tegenstander): ‘This is pure anarchy: formless, undisciplined, and an insult to sensitive ears.’ Dit laatste had natuurlijk moeten luiden: ‘Dit is pure muziek: met een vrije vorm, een nieuw soort discipline, en een verrassing voor geïnteresseerde oren.’ Kenny Dorham (bop-trompettist): ‘It sounds as though this would be excellent for a horror movie.’ Samenvatting: Één van de beste uitvoeringen, zo niet de beste, van de intrigerende Aylercompositie Holy Ghost. |
|
|
||||||||||||
Spiritual Bells: De oergeluiden die Ayler hier produceert zullen de toehoorders van dit concert versteld hebben doen staan. Provocatief is de beste karakterisering. Charles Tyler speelt een ondergeschikte rol. No Name (waargenomen op mijn persing): Dit stuk klinkt hetzelfde als op George Coppens’ lp The Hilversum Session en gaat naadloos over in: Holy Ghost: Een marsthema wordt in alle richtingen uitgeblazen na een plechtstatig gedragen tenor-intro van Albert Ayler. Een Frans patriottisch themaatje wordt door Don Ayler aangedragen en door allen unisono overgenomen, waarna een vrije Albert Ayler, opgeklopt door Sonny Murray, in razend tempo aan het soleren slaat in het hoge register. Don’s spel is goed bedoeld, een vloedgolf van nootjes, maar zonder veel structuur.
Quote: (D. Morgenstern/Downbeat 15.7.65): ‘Whatever one’s reaction to this music, there can be little doubt that it contained the spirit of jazz.’ Opmerking: De plaat is geperst uit transparant rood vinyl en het rose label is blanco. Volgens de Belgische discografie 60 Years of recorded Jazz zou ook een ‘untitled composition’ opgenomen zijn. Dan Morgenstern spreekt in zijn verslag (Caught in the Act., Downbeat July 15, 1965) over 2 stukken! In 60 Years of recorded Jazz wordt ook gesproken over Spiritual Bells. Dit was voor mij aanleiding om na te gaan of er een gelijknamige spiritual zou bestaan. Dit bleek niet het geval. Bells komt als gelijknamig (niet gelijksoortig) muziekstuk wel voor in de Broadway Musical ‘Siegfield Follies of 1920’. Dat was een compositie van Irving Berlin (The Complete Encyclopedie of Popular Music and Jazz 1900-1950, pag. 114). Samenvatting: Bells is het bewijs, dat vrije improvisaties gebouwd kunnen worden op de meest eenvoudige motiefjes, zonder dat dit de musici enige beperking oplegt. |
|
|
||||||||||||
Spirits Rejoice: Een fanfare-hymne, waarbij de hemelpoorten wijd openzwaaien, terwijl Ayler heftig bewegend zijn tenor bespeelt en Murray op de deur slaat met zijn sticks. Het thema is regelrecht ontleend aan ‘Enfants de la Patrie’. Donald Ayler penetreert ook in de hemel met recht-toe-recht-aan-improvisaties, die zowel eerlijk als opgewonden klinken. Holy Family: Na het voorgaande komt de hemelbasisband aanmarcheren (wederom o.l.v. Ayler) en speelt een geestelijke welkomstmelodie Holy Family. Altist Charles Tyler wordt hierbij enigszins onder de voet gelopen. D. C.: Start met een spetterende solo van Donald. Albert citeert het hoge register, terwijl de twee bassisten klaagzangen op de achtergrond uitwisselen. Angels: Call Cobbs komt hier voor het eerst met zijn hemelse harpsichord de engelen behagen en maakt van het sextet een septet. Tegenover dit kinderlijke geluid contrasteert Ayler’s zware tenorsound fraai. Prophet: De blazers improviseren collectief in een formidabele jacht. Murray en Don stimuleren elkaar daarna in een snel samenspel, waarna de 2 bassisten elkaar uitdagen.
Quote: Max Harrison mist de kern van Ayler’s Amerikaans-Europese muziekachtergronden als hij stelt: ‘Whereas Ornette Coleman’s output represents a bypassing of the relationship between jazz and European musical procedures, Ayler’s mature work more positively REJECTS it all together.’ (bron: Modern Jazz) Opmerkingen: Alle stukken zijn door Ayler geschreven. Het gebruik van 2 bassisten was door Coltrane al eerder toegepast, nl. in 1961. Dit live opgenomen album bevat geen publieksuitingen. Het collectief improviseren wordt - zoals in New Orleans marching-bands - naar hartelust en met succes toegepast. Samenvatting: Tijdloze bevrijdende muziek, die het creatieve hoogtepunt in Ayler’s platencarrière markeert. |
|
|
||||||||||||
Virtue: Een bijna onbeduidend motiefje wordt zonder toevoeging van spanningbrengende elementen rustig uitgewerkt. Justice: (part 1 + 2): heftige interactie tussen de blazers onderling en de blazers met de versterkte ritmegroep. Murray is in uitzonderlijk goede vorm. Zijn speelwijze, zonder maatindeling, kan het beste omschreven worden als: Murray klopt de muziek op. (LeRoi Jones: ‘He wants “normal sounds”, natural rhythms.’) Black Art: LeRoi Jones reciteert een lang gedicht, bedoeld om het bewustzijn van de neger tegen onderdrukking en achterstelling te versterken. De musici zorgen voor de benodigde ‘fill-ins’.
Quote: LeRoi Jones/Black Music, p. 179, over Sonny’s Time Now: ‘Listen to the Cherry-Ayler duets through this album. They make you slide around chortling. Don, instinctively, placing his bullet-like metallic against wild Albert getting in, getting in, describing the other space.’ En: ‘Watching Sonny play, as he swoops and floats, hovers, lungers, above and into his drums, it is immediate ... his body-ness, his physicality in music.’ Opmerkingen: Het Jihad-label was opgezet ter ondersteuning van de Black Pantherbeweging. Jihad bracht 3 relaeses voort, in uiterst kleine oplagen geperst (naar schatting 500 stuks). (Dit exemplaar is in bezit van Maarten Derksen.) Het Art Ensemble of Chicago moet zeker door LeRoi Jones’ optreden geïnspireerd zijn (zie A.E. of C. Fanfare for the Warriors op Atlantic). Het album is oorspronkelijk door LeRoi Jones privé opgenomen en later op Jihad uitgebracht. Jihad is het arabische woord voor Heilige Oorlog. ‘At this date, he had only two of his own cymbals’. (LeRoi Jones over Murray.) ______________________ CECIL TAYLOR TRIO/QUINTET Opmerking: Dit album heb ik niet kunnen achterhalen. [Note: |
|
|
||||||||||||
For John Coltrane: Geen slaafse nabootsing van Coltrane-geluiden, maar een zelfstandige, gedragen compositie, waarin Friedman’s felle cello-solo fraai contrasteert. Alan Silva soleert goed in het hoge register. Change has come: Op een marsachtige variant van ‘komt vrienden laat ons dansen’ bouwen Albert en Donald een gemeenschappelijke solo. Dit duet spiraliseert naar een niet bereikte climax, waarna een rondo-achtig slot volgt met een korte bassolo van Silva. Truth is marching in: Het unisono openingsthema is een kruising tussen de trompetters te velde en de fanfare bij het vendelzwaaien. Kortom: reveille-sounds, gevolgd door een Frans marsje dat overgaat in een schitterend felle tenorsolo. Our Prayer: Bevat dezelfde muziek die funeral bands spelen als de kist naar de begraafplaats gaat. Het hoofdthema wordt rechtlijnig door Donald gespeeld, zonder verdere solo-uitwerking.
Quotes: Martin Schouten in Jazzwereld (aug. 1968/p27): ‘Zoals tot nu toe elke vorige Ayler-plaat is ook deze uniek en mooi al biedt hij qua conceptie geen nieuwe gezichtspunten - maar het is onredelijk dat te verwachten. Van Donald is dit tot nu toe de beste plaat.’ Opmerkingen: Our Prayer is een compositie van Donald Ayler, de andere stukken zijn van Albert Ayler. Ekkehard Jost stelt, dat in The Truth is marching in marsmuziek, free jazz en contemporaine Europese muziek een driehoek (‘triangle’) vormen. Samenvatting: Apocalyptische muziek met sterke Europese invloeden. |
|
|
||||||||||||
Light in Darkness: Een eenvoudige melodie gebaseerd op een drieklank. De drieklank geeft wel een oproep (de call), maar geen antwoord (response) zodat een soort aanroep ontstaat. Heavenly Home: Een met Schots klinkende snaarmuziek omgeven smartekreet. Spiritual Rebirth: Een huppelmelodietje opgefrist met vioolstreken van Samson en uitgerekt tot een bijna echt stuk. Infinite Spirit: De dorpsfanfare rukt uit en speelt een legermarsje. Even naïef als poëtisch, maar muzikaal onbeduidend en hier en daar haperend. Omega is the Alpha: Een joyeuse melodie, soms geremd door het uniforme maar richtingloze spel van het snaarkwartet. Don Ayler breekt door met een fantastische solo waarna een intense collectieve improvisatie volgt. Spirits Rejoice: De reveillesound van Ayler’s hemelse trompetterskorpsen weerklinkt op basis van Enfants de la Patrie. Divine Peacemaker: Een klagelijk stuk, dat met een vrolijk huppelmarsje eindigt. Angels: Na een piano-opening (Call Cobbs?), de pratende, huilende en smekende tenor van AyIer (over een zigeuner-achtige pianobegeleiding), vervolgens triviaal pianospel met een It don’t mean a thing-quote en wederom Albert Ayler.
Opmerking: Deze opnamen zijn overblijfsels van 2 concerten welke niet op het In Greenwich Village-album verschenen. Quote: Richard Williams in Melody Maker (9.9.1978): ‘Ayler’s powers of leadership are clearly evident in the shifting polyphonic combinations and antiphonal contrasts as, tirelessly, he redirects the ensemble through his jigsaws of simple melodic fragments, with their echoes of church, field, and children’s games.’ Samenvatting: Apocalyptische muziek met een sterk religieusmystieke inslag. ______________________ ALBERT AYLER SEXTET/ SEPTET/KWARTET/OKTET
Opmerkingen: Deze gegevens komen alleen voor in de discografie 60 Years of recorded Jazz. Francis van der Mey vermeldde in haar column ‘Jazz in New York’ in Jazzwereld 13 (juli-aug. ‘67) vermoedelijk hetzelfde concert: ‘Albert Ayler gaf ook een concert in de Village Theatre met een groep die varieerde van kwartet tot oktet. Het grootste deel van het programma werd gespeeld door de nu wel bekende combinatie, broer Don, trompet; Beaver Harris, drums; Michel Samson, viool; Bill Folwell, bass; waaraan bassist Alan Silva nog was toegevoegd. Weer de potpourri van aanstekelijke Ayler-tunes, er zijn altijd weer nieuwe en de ouwe klinken altijd weer anders. Ayler’s eigen solo’s, nu ook op altsax, vallen als steeds het meeste op. Eigenlijk is alleen Michel Samson, en in beperktere zin ook Harris, een muzikale match voor Ayler. Broer Don kan dan wel flink blazen maar hij denkt toch wel steeds in dezelfde richting. Toen de groep veranderde in een kwartet (Ayler, de twee bassisten en Joel Friedman op cello), werd er de interessantste muziek gemaakt. Ayler’s fort is bepaald niet overall-conceptie en sterk leiderschap en ik vond het verrassend dat bij deze combinatie de muziek levendiger en beter georganiseerd bleek dan bij de groep waar hij gewoonlijk mee speelt ... maar misschien komt dat omdat we meer Ayler hoorden. Het laatste stuk met oktet ging een beetje de mist in ... zat gewoon niet goed.’ |
|
|
||||||||||||
Love Cry: ‘echo’s of Coltrane’s singing’, maar vooral een ‘call-without-response’-type compositie met een intro dat lijkt op een soort ‘roep over de bergen’. Ghosts: Dit oudere Ayler-stuk krijgt een allesbehalve perfecte uitvoering (Cobbs niet op harpsichord). Omega: Een kinder(dans)liedje waarin het motiefje eindeloos herhaald wordt. Dancing flowers: Een zangerige melodie met een ballad-achtig karakter. Bells: Minder fel, minder scherp en meer berustend dan de oorspronkelijke opname. Love flower: Evenals in Love Cry een oproepconstructie (call) zonder antwoord. Zion Hill: Dit lijkt een parafrase op Omega maar is een ‘ernstiger’, koraal-achtig schema waarin de kleine waterval-loopjes van Cobbs op de harpsichord wonderwel passen (in Omega is dat niet het geval). Universal Indians: Albert’s keelklanken duwen dit indianenverhaal vanaf het begin naar een hoog (collectief) niveau. Don’s reveille-toon is een breekpunt, waarna Alan Silva aangrijpend gestreken bas speelt in een ‘haunting’ slot. De basismelodie heeft Albert Ayler ontleend aan trompetgeschal bij jachtpartijen (verzamelen).
Quotes: Martin Schouten in Jazzwereld 20 (pag. 32): ‘We play folk from all over the world’, zegt AyIer in de hoestekst. ‘Boerenmuziek door stadsjongens - en niet als camp, maar omdat ze het prachtig vinden - dat is het’ Opmerking: De 6 stukken op de A-kant werden slechts enkele weken na Coltrane’s dood opgenomen. De 2 stukken op de B-kant zijn ruim een half jaar later opgenomen en sluiten qua karakter niet goed aan bij de A-kant. Samenvatting: Dit eerbetoon aan John Coltrane draagt het karakter van treurmuziek, waardoor veel van Ayler’s spontaniteit ondergespit wordt. |
|
|
||||||||||||
Message: Brengt Ayler’s nieuwe boodschap. Hij zegt ‘a different dimension in my life’ en ‘a spiritual message... of spiritual love, peace and understanding’. De muziek bevat echter géén nieuwe boodschap. New Generation: Een stevig R&B stuk in Junior Walker-setting. The Soul Singers zingen vals. Sun Watcher: Ayler etaleert in het intro zijn ethisch reveil, waarna een rockbeat losbarst; Cobbs’ één-vingerspel remt de verdere uitbouw. Ayler keert terug, met name in het hoge register. New Ghosts: Een Rollinsachtige calypso-versie. Heart Love: Een vals gezongen onbenullig stuk melodrama. Everybody’s movin’: zie Heart Love. Free at Last: dito (met trompetsmeersel).
Quote: Ekkehard Jost (bron 19/pag. 132): ‘New Grass and Music in the healing force of the Universe mark a turn to the simple structures, the stomping beat and the cliché’s of rhythm-and-blues, but also to the triviality and hardly bearable pomposity of pseudo-religious songs.’ Samenvatting: Deze plaat was een schok voor de Ayler-fans, niet vanwege het inslaan van een nieuwe weg, maar door de onbenullige jazzrock-muziek, waarin Ayler zelf bijna even zeggingsloos participeert. |
|
|
||||||||||||
Music is the healing force of the universe: Dit stuk is gebaseerd op een bezwering-achtige melodie met de bekende call-effecten, Mary Maria zingt (vals). Masonic Inborn, part 1: Ayler creëert op doedelzak - deels via overdubbing - een perfect gevoel van vrijheid. De zeer vrije duetten die hij met zichzelf speelt worden door Bobby Few uitstekend begeleid. A man is like a tree: ‘And a tree is like a man’, zo luidt de (onzuiver) gezongen onzin-tekst van M.M. Parks. Oh! Love of life: Startend met een zwaar vibrato op tenor springt Ayler over naar gezongen teksten, die handelen over ‘universal love’. Island Harvest: Via een door Mary Maria gesproken en gezongen tekst wordt geparafraseerd op Cocanut Woman. Drudgery: Een R&B stuk van Mary Maria, Vestine en Folwell met heavy tenorwerk van Ayler.
Opmerkingen: Gitarist Henry Vestine was in 1969 de leadgitarist van Canned Heat. Alle composities dragen de naam M.M. Parks. Samenvatting: Een nutteloze plaat, behoudens de doedelzakduetten, omdat Ayler zich muzikaal volledig ondergeschikt maakt aan de 3e rangs M.M. Parks en hun gemeenschappelijke quasi religieus-mystieke idealen. |
|
|
||||||||||||
Untitled Duet: Vestine en Ayler duelleren op gitaar en doedelzak zonder begeleiding in een rustige landerige atmosfeer. Again comes the rising of the sun: Ayler werkt in zijn solo Mary Maria’s zang zeer goed uit. All love: Een Coltranesk thema met een zangerige Ayler op tenor. Het gestreken duet op beide bassen is evenals Ayler’s rustig opgebouwde solo helder en overzichtelijk. Toiling: Een op R&B-licks gebaseerd (gitaar)stuk waar Ayler’s spel absoluut niet bij aansluit. Desert Blood: Een bloedsaai stuk waarin Albert en Mary Maria tweestemmig (vals) zingen. Birth of Mirth: Een betekenisloze compostie van M.M. Parks, waaraan Ayler’s tenorspel weinig verandert. Water Music: Romantische noten met zigeunerachtige bassen. AyIer is op tenor in overwegend zweverige stemming.
Opmerkingen: Dit album werd samengesteld uit restmateriaal van de meerdaagse sessie in de New Yorkse Plaza Studios augustus 1969. De groepsomvang wisselt van duo tot septet. Vestine speelt alleen in de beide openingsstukken mee. Samenvatting: Een sentimentele plaat zonder doel en zonder nut. |
|
|
||||||||||||
In heart only: In dit call-without-response-stuk speelt Ayler op tenor vloeiende notenlijnen zonder de noten te verbuigen. M.M. Parks is niet hoorbaar aanwezig. Het spel van drummer Blairman is teveel volgend in plaats van zelfstandig. Spirits: Ayler verkent het hoge register in zijn geestelijke standaardstuk, maar mist de felheid van vroeger en ontbeert de schreeuw. Blairman neemt een lange solo in het laatste deel, die tamelijk conventioneel gespeeld wordt. Het pianospel van Cobbs past niet bij Ayler’s opbouw en is vooral onbetekenend. M.M. Parks is niet hoorbaar aanwezig. Bassist Tintweiss in under-recorded. Voor zover hoorbaar volgt Tintweiss de pianobegeleiding op zigeunerwijze (I-2-3-4 met recht op en neer lopende notenreeksen). Holy Family: Een calypso-achtige uiteenzetting van het thema - met overgesimplificeerde ritmebegeleiding - vindt plaats in meerdere octaven in eindeloze herhaling zonder improvisatie. Pure rockinvloeden ontbreken, maar een geïmproviseerd (of) jazzstuk kan deze Holy Family-vertolking niet genoemd worden. Spirits Rejoice: In vergelijking met de uitvoering van ditzelfde stuk op het gelijknamige ESPalbum van september 1965 valt op, dat hier elke wisselwerking tussen Ayler en de overige musici ontbreekt. Tot de ‘kinderen van het (jazz)vaderland’ kunnen noch Cobbs, noch Tintweiss en Blairman gerekend worden. Ayler beperkt zich tot het thema en een quote van het Duitse liedje Warum ist es am Rhein so schön. M.M. Parks is niet hoorbaar aanwezig. Truth is marching in: Op klassieke wijze borrelt de waarheid uit Albert’s tenor omhoog tot het hoge register in al zijn glorie wordt bereikt. De ritmegroep begeleidt nu wel adequaat. Universal Message: Ayler brengt zijn mystieke boodschap waardig over het voetlicht, zonder dat de groep in totaliteit iets losmaakt. Spiritual Reunion: Na het vaste en vervelende splash-intro door pianeur Cobbs begint Ayler vol emotie het thema uit te bouwen. Hierbij bezondigt hij zich soms aan dezelfde trillerloopjes als Cobbs. Zijn integere aanpak torent echter huizenhoog boven het cocktail-gepingel van Cobbs uit. M.M. Parks is niet hoorbaar aanwezig. Music is the healing force: M. M. Parks is hoorbaar vocaal aanwezig zonder enige indruk te maken.
Opmerkingen: Alle stukken zijn van Ayler, behalve Music is the healing force of the universe (van M.M. Parks). De volgorde van de stukken correspondeert niet automatisch met de concertvolgorde, alhoewel Music is... wel als slotstuk op dit festival gespeeld werd. De ‘Fondation Maeght’ was een moderne kunstgalerie in Zuid-Frankrijk (te St. Paul de Vence). Samenvatting: Dit album is in zekere mate een rehabilitatie van Ayler als solist na zijn schamele albums voor Impulse in de voorafgaande jaren. Impulse moet mede verantwoordelijk worden gesteld voor de verkrachting van Ayler’s talent gedurende 3 à 4 jaar van zijn carrière. De matige kwaliteit van de medemusici werkt remmend. ______________________ ALBERT AYLER DISCO Verzamelalbums: Naast New Wave in Jazz met één nergens anders uitgebrachte Aylertrack zijn er nog enkele verzamelalbums met elders uitgebrachte Ayler-muziek: ______________________ ALBERT AYLER DISCO Aangekondigde releases ______________________ ALBERT AYLER DISCO Verkrijgbaarheid Albert Ayler-lp’s. Veel Ayler-lp’s zijn met enig speurwerk nog verkrijgbaar. De Impulse-serie is hier goeddeels al uitverkocht. De op de Groninger Jazz Marathon aangeboden Ayler-Impulse-albums waren binnen enkele uren verkocht. In Duitsland zijn de ESP, Impulse- en Freedom-releases volgens de Bielefelder Katalog Jazz 1979/80 nog volop beschikbaar.
Slotopmerking: LeRoi Jones schreef in 1965 (zie ook de liner notes op het Shandar dubbel-album): ‘Albert Ayler is a master of staggering dimension, now, and it disturbs me to think that it might take a long time for a lot of people to find it out.’ Het heeft inderdaad veel tijd gekost voordat iedereen begreep dat met het overlijden van Albert Ayler werkelijk een saxofoongrootmeester verdween.
HAN SCHULTE
Back to Articles or Bibliography
|
home | biography | discography | music | archives | links | news |
||