|
(From Gandalf, 24, Dec./Jan. 1967-68) - Netherlands © Peter Smids A.A. door Peter Smids De mitrailleur op de bloemenkinderen, zeker als de 32-jarige fabrikant van sonore plasticbloemen Charles Lloyd in hun midden vertoeft. Toch heeft ook deze sluwe producent van kunstbloemen, die altijd bliksems goed doorheeft wat bij het publiek in de smaak valt, een paar elementjes van de afschrikwekkende hemelse geluiden van Albert Ayler in zijn cocktails verwerkt. Dat valt bijvoorbeeld heel duidelijk te horen in het stuk Memphis dues again/Island blues op het uiterst lullige album Love-in: allereerst aan de toon (waarin de sacharine natuurlijk toch nog overdadig gedoseerd is gebleven) maar ook aan de manier waarop hij het thema verwerkt. Ayler bezat trouwens ook het oor van de vergoddelijkte Coltrane, zoals ons uit zijn laatste werk op subtiele wijze is gebleken: het album Expression. Overigens zou ik de beïnvloeding van de tot leerling geworden leermeester wel in een ander kader willen plaatsen dan die van de tot kleptomaan geworden ideeënarmoelijder Lloyd. Toen Ayler in november ’64 voor het eerst in Nederland speelde kon men uit de reacties van het publiek (waarin menig musicus) onmogelijk opmaken dat zijn werk nog eens bij groot (Coltrane) en klein (Dulfer) in de smaak zou vallen. In Rotterdam bijvoorbeeld, u weet wel de metropool die zoveel patsers in zijn stadsbeeld doet, heb ik in B-14 (sinds Ayler een van de meest reactionaire jazzclubs van Nederland) menige bezoeker vloekend de uitgang zien opzoeken. Gaf ook Haagse Postredacteur Trino Flothuis in zijn functie van Kunst van Nu-criticus ongewoon openhartig toe: ‘Van de topattractie Ayler-Cherry-Peacock-Murray heb ik niets, maar dan ook in het geheel niets begrepen. Harmonie, melodie en maat vielen praktisch niet waar te nemen, de geringe thema’s leken van een indringende kleurloosheid. Bassist Peacock was als ‘tegenspeler’ enorm, maar hij viel opvallend buiten de totaal-conceptie van dit kwartet. Drummer Sonny Murray is een competente clown, maar een zeer slecht muzikant.’ Zo zijn er nog wel meer citaten te vermelden, maar deze ene is al illustratief genoeg, te meer daar hij afkomstig is van iemand die altijd eerst zijn oor te luisteren legt bij the man in the street (niet bij de muziek helaas) voor hij zijn zorgvuldig uitgebalanceerde kennersmening aan het papier toevertrouwt. (Hoe frustrerend het luisteren naar jazzmuziek op deze tolk van het gesundes Volksempfinden heeft gewerkt valt prachtig na te gaan aan de hand van zijn bijdrage in Over jazz (Arbeiderspers): Jazz en beat, een mentaliteitsverschil.) Er waren natuurlijk ook mensen die wèl direct doorhadden wat er met het kwartet van Albert Ayler aan de hand was: ‘Voor mij klinkt het allemaal als een logische gevolgtrekking uit Coleman. Ayler heeft trouwens een ouderwetse blues-sound,’ aldus de tenorist Dulfer. Voor mijzelf, plus nog een paar anderen, was Aylers Nederlandse debuut een voortdurend feest der herkenning: dankzij Paul Kartings intensieve contacten met allerlei platenbonzen had ik namelijk de banden van een kort tevoren (14 september 1964) in Kopenhagen opgenomen session reeds uitgebreid kunnen bestuderen. Helaas kan ik van mijn adekwate reacties geen schriftelijke bewijzen aanvoeren want ik blijk over Aylers eerste bezoek aan Nederland in geen enkel blad iets geschreven te hebben. (Ik had in die tijd waarschijnlijk wel iets beters te doen.) De mensen die steun zochten bij de toen net verschenen plaat My name is Albert Ayler kwamen bedrogen uit: het beeld van een musicus met veel vader bindingen dat uit deze plaat oprees strookte nu niet bepaald met de indruk die hij op de Nederlandse podia had gemaakt. Pas toen de resultaten van die Kopenhaagse session hier als Ghosts verkrijgbaar waren kon men zijn primaire indrukken eens rustig gaan verifiëren. Voor mensen als die redacteur van de Haagse Post was het toen echter te laat: hij was allang als gefrustreerd fopper door de mand gevallen. Zo blank als zijn (door pigmentgebrek) witte baardje was Aylers verleden natuurlijk niet toen hij de Nederlandse jazzclubs op stelten kwam zetten: hij had o.m. al met de pianogeweldenaar Cecil Taylor mee mogen spelen. Maar laten we het voor de duidelijkheid even in chronologische volgorde doen: Op aandrang van zijn vader is Albert ongeveer op zijn achtste met saxofoon spelen begonnen. In zijn high schooltijd was Ayler eerste hoboïst. Wegens geldgebrek heeft hij het slechts een jaar op een college kunnen uitzingen. Vervolgens zocht de ongeschoolde arbeider Ayler zijn toevlucht bij het leger waarin hij zich volgens eigen zeggen muzikaal verder heeft ontwikkeld, o.m. dankzij de vele goede muzikanten met wie hij daar in contact kwam. Als lid van het Amerikaanse leger heeft Ayler o.m. een tijdje in Orléans gezeten. Daniel Berger van Jazz Hot poetste met de volgende anekdote Aylers herinneringen aan zijn Fransetijd op: ‘Herinner jij je nog die zaterdagavond in oktober 1960 (Ayler is dan 24, P.S.) toen je die G.I.’s in hun rustige clubje zo enorm op hun donder hebt gegeven? Je had een pak aan van groen leer, je droeg een bril met zwarte glazen en je had een krankzinnig petje opgezet. Samen met de bassist Lewis Worrell en de pianist Jean-Luc Vallet speelden jullie Sonnymoon for two, eindeloos en volkomen uniek; de mensen lachten zich gek of ze verdwenen.’ Ayler weet het nog, maar hij herinnert zich ook nog lets anders: ‘Frankrijk, dat was voor mij het leger; ik bewaar fantastische herinneringen aan die Franse kapelmeester die onze baas was tijdens een 14 juli-parade op de Champs-E1ysées. Hij heeft veel invloed op mij gehad; ik vond het prettig om onder hem te spelen; hij had een enorme techniek. Het was mooie muziek.’ Na dat interview krijgt Berger in Slug’s (New York) een versie van La Marseillaise te horen die met zoveel overtuiging wordt gespeeld ‘dat iedere Fransman er eigenlijk voor in de houding zou moeten gaan staan.’ Het bovenstaande heb ik ontleend aan de door Ayler zelf uitgesproken bliksembiografie op My name is Albert Ayler, het volgende citaat uit een interview met Gudrun Endress voor het Duitse Jazz Podium (oktober 1966) is daarmee echter slechts kreupel te rijmen: ‘Na mijn zestiende ben ik acht jaar lang gedurende de zomermaanden met verschillende blues en rhythm-and-blues bands rondgetrokken, onder andere met Little Walter Jacobs en later met Lloyd Price.’ Ik acht de mogelijkheid tenminste uitgesloten dat een soldaat in ‘het meest racistische land ter wereld’ (Archie Shepp) toestemming van zijn commandant krijgtom in de zomermaanden zwarte muziek te gaan maken. Ik vermoed dat Ayler zijn schnabbels op bruiloften en partijen een tikkeltje interessanter heeft willen voorstellen dan zij in werkelijkheid waren, een leugentje om toch maar vooral op degelijke ‘roots’ te kunnen wijzen. In ieder geval kan Ayler zich er niet op beroemen ook maar met een van die bluesbands op het vinilyte vereeuwigd te staan, en dat in een land waar je voordat je het weet al driftig platen staat vol te spelen, zeker als werknemer bij Little Walter of Lloyd Price. Na de beëindiging van zijn diensttijd (in 1961) is Ayler nog een poosje in Europa gebleven. In Zweden kwam hij bijvoorbeeld aan de kost als muzikant bij een commercieel orkest plus vocalist (gedurende acht maanden). Ayler over zijn Zweedse tijd: ‘Ik herinner me nog een avond in Stockholm, ik begon toen te spelen wat ik op mijn hart had. Ik werd toen door de organisator van het toneel afgeduwd. Toen ben ik maar voor een groepje jongelui in de ondergrondse gaan spelen. Bij hen kwam mijn kreet tenminste over. Dat was in 1962.’ Datzelfde jaar nog, op 25 oktober, betreedt Ayler een Stockholmse opnamestudio om de basis te leggen van een nog altijd zeer beknopte discografie: Bird Notes BNLP 1 en 2. De bassist heet Torbjorn Hultcrants, de drummer Sune Spangberg. Dit tweeluik is hier nooit uitgebracht, maar met stukken als I’ll remember April, Tune up en Moanin’ en begeleiders als Torbjorn en Sune zal het resultaat vermoedelijk wel niet veel afwijken van Aylers derde langspeler. In diezelfde herfst zat het trio van Cecil Taylor engagementen te vervullen in Oslo en Stockholm. In Scandinavië kwam onze jeugdige held dan ook voor het eerst met zijn beroemde landgenoot in contact. Het boterde zo goed tussen Taylor en Ayler dat hij met het basloze trio mee naar Kopenhagen reisde. Van dit november engagement in het Jazzhus Montmartre bestaan twee platen (zonder Ayler helaas): Live at the Café Montmartre en Nefertiti, the beautiful one has come. Wèl heeft de Deense televisie een programma van het Cecil Taylor trip gemaakt waaraan ook de incidentele meespeler Ayler meedoet. My name is Albert Ayler werd opgenomen op 14 januari 1963 in Kopenhagen (een paar dagen voordat Ayler zou terugkeren naar de Verenigde Staten om daar weer contact te maken met de reeds eerder vertrokken Taylor). Helaas is het programma meer afgestemd op het begeleidende trio, dat zijn changes maar al te voortreffelijk onder de knie blijkt te hebben, dan op de 26-jarige gasterende tenorist: Bye, bye blackbird, Billie’s bounce, Summertime en On Green Dolphin Street. Toch weet Ayler met deze paradepaardjes van de boppers nog hele persoonlijke dingen uit te halen, al is het begrip dat het trio Niels Brønsted-Ørsted Pedersen-Ronnie Gardiner daar in ritmisch en harmonisch opzicht voor opbrengt bijna nihil; de pianist is de ergste van de drie: met zijn expliciete akkoorden zit hij Ayler naar gebieden te duwen die de tenorist juist verafschuwt, ook aan de bassist en de drummer met hun starre metrische opvattingen heeft Ayler niet veel steun. Maar we mogen natuurlijk niet uit het oog verliezen dat deze plaat inmiddels vijf jaar oud is en dat menig Nederlands musicus ronduit geweigerd zou hebben om met ‘die oplichter’ te werken. (Ik zou wel eens willen weten hoe het trio van Cees Slinger in januari ’63, toen de New Thing duizend keer nieuwer was en het duizend maal moeilijker had dan nu, op deze huilerige tenorist gereageerd zou hebben. Denkt u nog maar eens terug aan de afschuwelijke ontvangst die wij Coltrane destijds bij zijn eerste bezoek aan Nederland bereid hebben). Volgens Bill Mathieu (Down Beat) en Martin Schouten (Algemeen Handelsblad) is C.T. (opgedragen aan de man van wie Ayler kort tevoren zo onbetaalbaar veel heeft opgestoken) het enige niet mislukte stuk. Maar ook tijdens de ontstentenis in dit stuk van de Bud Powell volgeling Brønsted is het duidelijk dat Ayler en het bas-drums duo op ver uiteenliggende golflengten zitten. Ook dit stuk is dus te karakteriseren als een dovemansdialoog, ondanks de goede wil en het (kunstmatige) begrip waartoe de Denen zich hebben opgewerkt. Maar de mislukking van deze plaat is niet volkomen: met de muziek van zijn latere platen nog in het hoofd is het zeer verhelderend om deze tenorist nog eens uitgebreid in zijn embryonale stadium te bestuderen. Toch is ‘embryonaal’ misschien niet helemaal het juiste woord (het zijn vermoedelijk vooral de frictieverschijnselen tussen de revolutionair en de uiterst conventionele ritmesectie die dat adjectief opdringen), want toen Coltrane ter gelegenheid van een concert op 22 november in de Deense hoofdstad vertoefde gaf hij na de confrontatie met A.A. als commentaar dat hij eens een droom had gehad waarin hij net zo speelde als Ayler, maar dat hij er nooit in was geslaagd om die te realiseren! Ondanks de loftuitingen van Trane bleek er na zijn terugkeer in God’s own country hoegenaamd geen werk voorhanden te zijn voor Albert. Het enige memorabele dat 1963 (afgezien dan van zijn discodebuut) Ayler heeft opgeleverd was een concert op oudejaarsavond met Taylor in het New Yorkse Lincoln Center. De rest van het jaar heeft Ayler voornamelijk bij zijn ouders in Cleveland doorgebracht: ‘Mijn ouders hebben altijd veel begrip getoond. Als ik het hoofd financieel niet meer boven water kan houden kan ik altijd op mijn ouders terugvallen om rustig aan nieuwe stukken te werken en de muziek gaande te houden.’ 1964 wordt weer een druk en belangrijk jaar: Ayler en Murray gaan weg bij Cecil Taylor en besluiten samen te werken, er worden vier platen opgenomen en hun Europese tournee verwekt veel opschudding. Cecil Taylor aan het woord in A.B. Spellman’s Four lives in the bebop business: ‘Op het Lincoln Center concert in ’63 heb ik voor de laatste keer met Sonny Murray gespeeld; hij had zich toen ontwikkeld tot een buitengewoon belangrijke drummer omdat hij bepaalde dingen uithaalde met de maat die niet meer afhankelijk waren van het metrum. De idee van het drumstel als een metronoom heeft afgedaan en Sonny was een van de eersten die dat besefte en een nieuwe benadering heeft uitgedacht. Het was ook de laatste keer dat A.A. met mij heeft gespeeld.’ |
|